Vereniging ter bevordering van de Kritische Ontwikkelingsbegeleiding volgens Hendrickx

Welkom

Welkom op de homepage van de Vereniging ter bevordering van de Kritische Ontwikkelingsbegeleiding volgens Hendrickx

Begeleiding in de praktijk

Een relatief langdurige behandeling is logisch en noodzakelijk

Om deze duurzame effecten te bereiken en om latere terugval te vermijden, moet de individuele kritische begeleiding lang genoeg volgehouden worden om de verbeterde systeemwerking te veralgemenen en te stabiliseren.

Een belangrijk obstakel voor een versneld systeemherstel is het beperkte veranderingstempo dat een individu aankan, zonder overbelast te geraken. Het forceren van het individuele ontwikkelingstempo, met de bedoeling om tijd te winnen, druist principieel in tegen het principe van de haalbare uitdaging en creëert opnieuw een overbelastingstoestand die de oorspronkelijke problematiek opnieuw kan oproepen. Zo zouden we opnieuw in de steeds dreigende vicieuze kring terecht komen, die de KOH net wil doorbreken.

Dit aspect van het haalbare ontwikkelingstempo bepaalt in belangrijke mate mee de efficiëntie en de duur van de ontwikkelingsbegeleiding. Om de vereiste duur van een doeltreffende behandeling zo kort mogelijke te houden, moet de begeleider alles in het werk stellen om de therapeutisch bijgestuurde ontwikkeling zo efficiënt mogelijk te laten verlopen.

De optimale ontwikkelingsefficiëntie wordt bereikt als de therapeutische begeleiding rekening houdt met twee beslissende factoren. De ontwikkelingsbegeleiding mag, op de eerste plaats, niet ingaan tegen de menselijke natuur en het natuurlijke gedrag. Op de tweede plaats mag daarbij de individueel bepaalde ontwikkelingscapaciteit niet overschreden worden. Dit vereist dat de begeleider-therapeut op elk begeleidingsmoment rekening houdt met de flessenhals die de individuele ontwikkelingscapaciteit vormt.

Om deze beperkte ontwikkelingscapaciteit maximaal en blijvend te kunnen benutten, moet de overbelasting ervan in elke vorm volstrekt vermeden worden. Overbelasting doet zich voor als het tijdens de begeleiding opgelegde tempo té hoog is (bvb. programma-bepaald), als de opgaven té complex zijn (te moeilijk) en als er teveel te gelijk aangeboden wordt (overstelpende hoeveelheid, geen overzicht).

In heel de planning en in het concrete verloop van de kritische ontwikkelingsbegeleiding wordt expliciet rekening gehouden met deze haalbaarheid, door er voor te zorgen dat alle opdrachtsituaties altijd ervaren worden als " begrijpelijk", " de moeite waard" en " doenbaar" op het vlak van tijdsdruk, moeilijkheidsgraad en hoeveelheid.

Deze confrontatie met haalbare opdrachtsituaties en de corresponderende succesbelevingen stimuleren de intrinsieke prestatiemotivatie. Deze ingesteldheid verhoogt de kans dat op elk moment de grootst mogelijke ontwikkelingscapaciteit beschikbaar blijft, zodat er voor elk geval apart, op weg naar een natuurlijker en harmonieuzer functioneren, zo weinig mogelijk tijd verloren gaat.

De KOH gaat in elk individueel begeleidingsgeval de uitdaging aan, om een aanvaardbaar compromis te vinden tussen, enerzijds, maximale doeltreffendheid en grondige en duurzame resultaten, en anderzijds, een minimale frequentie, tijdsduur en begeleidingsperiode die hiervoor noodzakelijk is. Het hoeft geen betoog dat de noodzakelijke duur en de frequentie van de begeleiding rechtstreeks evenredig zijn met de aard, de ernst en de hardnekkigheid van de problematiek en mee beïnvloed worden door de instelling en de geaardheid van de persoon.

Om tot een steeds gunstiger verhouding te komen tussen de noodzakelijke begeleidingsduur en de doeltreffendheid van de begeleiding is deze methode continue in evolutie, op zoek naar hogere efficiëntie. Zowel de theoretische grondslagen als de daarop gesteunde probleemanalyse en -synthese en de eigenlijke begeleiding worden consequent getoetst aan de praktijk en, in een terugkoppelend proces, steeds verder gedifferentieerd, uitgezuiverd, geobjectiveerd en geëvalueerd.

Dit voortgaande proces van theorievorming, differentiering, objectivering en operationalisering verruimt en verbetert de mogelijkheid van een, met de individuele probleemsynthese samenhangende, systematische, objectieve en gedifferentieerde evaluatie van de resultaten van de therapeutische begeleiding.

Parallel hiermee verbetert de mogelijkheid om de begeleiding alsmaar nauwkeuriger te richten op de steeds beter geanalyseerde specifieke probleemsituatie van de individuele persoon. Dit kritisch toespitsen van de begeleiding gebeurt door een steeds fijnere individuele en momentele aanpassing van de begeleidingssituatie, de probleemanalyse, de oefenstrategieën en de oefenideeën.

Dit streven naar optimale ontwikkelingsefficiëntie en maximale doeltreffendheid vormt een van de hoofdkenmerken van de Kritische Ontwikkelingsbegeleiding. Door de confrontatie met een zorgvuldige selectie van precies getimede opdrachten en taken die de patiënt ervaart als "haalbare uitdagingen", wordt de intrinsieke motivatie geactiveerd, blijft de maximale ontwikkelingscapaciteit beschikbaar en kunnen "kritische ervaringen" hun ontwikkelend werk doen.

Deze systematische en indringende werkwijze creëert de juiste omstandigheden, om een diepgaande beïnvloeding van de (ontspoorde) werking van het persoonlijke gedragssysteem mogelijk te maken. Door deze gesofisticeerde aanpak wordt het mogelijk de dominerende, inefficiënte en nefaste blokkeringen, overcompensaties, kortsluitingen en conditioneringen te verhelpen. Deze hinderlijke stoornissen kunnen dan geleidelijk vervangen worden door natuurlijke en efficiënte manieren van functioneren.

Een voldoende begeleidingsfrequentie zorgt voor continue therapeutische transfer

Door het specifiek systeemgericht karakter van de therapeutische interventie moet ze optornen tegen de (ongunstige) overlevingsstrategie waarop het gedragssysteem zich ingesteld heeft en actueel beneden zijn optimum functioneert.

Om op termijn tot een betere werking van het systeem te kunnen komen, moet de therapeut er voor zorgen dat de behandelingseffecten van de vorige begeleidingssessie nog niet verdwenen zijn, als de volgende sessie plaats vindt.

Om de onmisbare therapeutische transfer te realiseren moet het interval tussen opeenvolgende begeleidingssessies voldoende kort gehouden worden. Dit betekent dat alleen een relatief hoge frequentie er voor kan zorgen dat de beoogde optimalisatie van het systeem niet alleen zonder vertraging, maar ook voldoende grondig en met duurzame resultaten kan gebeuren. Vooral in de beginfase van de begeleiding, wanneer de confrontatie met de bestaande dysfuncties van het systeem het scherpst is, zal een hogere frequentie noodzakelijk zijn. Er kan op een lagere frequentie overgeschakeld worden, wanneer door het afzwakken van de zwaarste blokkeringen en kortsluitingen de eerste fundamentele evenwichten en stabilisaties zich hebben kunnen installeren.

De keuze van een gepaste frequentie is essentieel voor het bereiken van een optimaal vorderingstempo. Een té hoge frequentie is te belastend, een té lage frequentie betekent, door een te beperkte transfer van de therapeutische effecten, een vertraging van de gewenste evolutie en ze kan zelfs de doeltreffendheid van de begeleiding minimaliseren.
 

Begeleidingsduur en zichtbaarheid van resultaten

Duur en frequentie zijn rechtstreeks evenredig met de ernst en de complexiteit van de problematiek. Zeer verschillend van persoon tot persoon. Gemiddeld: bij zware en complexe stoornissen: 12 maand. Gedragsveranderingen (nog mogelijke terugval) meestal al zichtbaar na een maand. De eerste blijvende (verworven) veranderingen in gedragspatroon en prestatievermogen: gemiddeld na zes maand.

Minder extreme/minder complexe problemen: 6 tot 12 maand. De bereikte resultaten zijn definitief, gestabiliseerd en veralgemeend na voldoende begeleidingsduur.

In het geval van pathologie, waar de organische oorzaak werkzaam blijft, kan de noodzaak bestaan van langduriger begeleiding, ondersteuning en opfrissing van het verbeterde functioneren van het gedragssysteem.

Duur begeleidingssessie: minstens 30 minuten.
Frequentie: twee- tot driemaal per week (garandeert continuïteit).

Bij zeer ernstige problemen: driemaal per week.

Bij zware pathologische problemen: vier maal per week. Bij minder acute problemen en bij goed lopende begeleiding en respons: 2x/week. In de eindfase: 1x/week.

Zichtbare en voelbare verbetering van de klachten en algemene verbetering in gedrag en prestaties treedt bijna altijd op. Regelmatige bijsturing van de accenten van de inhoud en de strategieën van de kritische begeleiding op basis van follow up analyses van het gedragssysteem zijn erg belangrijk. Zo kan het verbeteringsproces geactiveerd blijven tot een voldoende gestabiliseerde toestand bereikt wordt.

Het lichaam als aangrijpingspunt van de begeleiding

Zeer belangrijk in deze context is de doorslaggevende rol die zowel het geleefde lichaam als het geobjectiveerde lichaam speelt als aangrijpingspunt van de kritische begeleiding. Voor de probleemanalyse en -synthese en voor de concrete kritische ontwikkelingsbegeleiding wordt altijd uitgegaan van de verschillende deelfuncties die het lichaam vervult.
  • Het lichaam als vitaal-biologisch systeem (bio-energetische en psychosomatische aspecten),
  • Het lichaam als relationeel systeem (psychodynamische aspecten, stressgevoeligheid en stresstolerantie),
  • Het lichaam als competent handelingssysteem (anatomische, neuromotorische,
  • Sensomotorische, praktognostische en psychomotorische aspecten).

Aard en fasen van de behandeling

De concrete behandeling gaat uit van de gegevens van de individuele probleemanalyse/-synthese en wordt permanent bijgestuurd door de acties en de reacties van de begeleide persoon. Het is een thera-gnostisch proces, een continue wisselwerking tussen therapie en diagnose. De therapeutische actie levert nieuwe diagnostische inzichten die, op hun beurt, de therapie doelgerichter sturen, waardoor er nog gedifferentieerder diagnostische informatie beschikbaar komt,... enz.

Deze effectgestuurde werkwijze maakt dat de therapeutische begeleiding zich op elk moment dynamisch aanpast en bijstuurt in functie van de respons van het begeleide individu. Dit staat tegenover een statische ("receptologische") benadering, waar een bepaalde klacht altijd met een bepaald begeleidingsrecept aangepakt wordt.

Enkele algemene regels.
De eerste stap is altijd het bereiken van een rustig georganiseerde evenwichtstoestand. Dan volgt het globaal deblokkeren van vastgelopen deelsystemen en neutraliseren van verkeerde gewoonten, om de weg vrij te maken voor het herstel van de natuurlijke systeemwerking. Er wordt altijd rechtstreeks ingegrepen op het lichaam met als algemeen doel het (functioneel optimaal) structureren van de dynamische lichaams-as.

Opeenvolgende accenten:

  1. Regulatie van de ontspoorde (overspannen of te lage) algemene lichaamstonus en de daarmee verbonden verbetering van de proprioceptie.

  2. Ingebruikname van de volledige sensomotorische basiscoördinaties: optimaal en volledig gebruik van de aangeboren driedimensionale primaire coördinatiecomplexen (lichaams-as) en van de secundaire coördinatiecomplexen (basismotoriek met inschakeling van de ledematen).

  3. Organisatie van het functionele (praktognostische) lichaam: axiale en laterale differentiatie en integratie.

  4. Toepassing van de verworven tonische, sensomotorische en praktognostische competenties in geleidelijke oprichting: beheersen van dynamisch gestabiliseerde oprichting en locomotie. Grote en gedifferentieerde toewendingsmotoriek.

  5. Gestructureerde uitbouw, van het omringende waarnemings- en actieveld, vanuit de opgerichte dynamische lichaams-as.

  6. gekoppeld aan de veldgebonden hiërarchische ontwikkeling van fundamentele handelings- en denkstrategieën.

  7. Functionele toepassingen: voorbereiding van het schoolse leerveld: leesveld, rekenveld, schrijfveld en de daarbij vereiste motorische (praktognostische) vaardigheden. Visuele motoriek, articulatiebasis, fijne handvaardigheid en schrijfmotoriek.
 

Duurzame effecten door verbetering van de natuurlijke systeemwerking

De bereikte effecten zijn duurzaam omdat ze manifestaties zijn van het (terug)vinden van een natuurlijker werking van het organisme en omdat ze zich in het dagelijks functioneren van het gedragssysteem integreren en dus niet "vergeten" kunnen worden. De vrijgemaakte natuurlijke, door de aard van het systeem bepaalde, vitale tendensen zelf vormen de belangrijkste factoren die het systeem herstellen. De kritische begeleiding helpt de natuur zichzelf terug te vinden. Eenmaal terug op het goede spoor en als het de kans krijgt, neigt het psycho-organische systeem immers altijd naar zijn natuurlijke, door zijn functionele structuur bepaalde, werking, met zo weinig mogelijk compensaties.